De portefeuille en een schilderij

De portefeuille en een schilderij

Naar Indië

Als kind weet Gerard Bouthoorn het al zeker: ‘Ik ga later naar Indië’. Hij houdt niet van het koude Hollandse klimaat en het avontuur van de kolonie trekt hem zeer. Hij volgt een opleiding om in Nederlands-Indië aan de slag te kunnen (de ‘Suikerschool’ in Amsterdam). Net 21 jaar oud vaart hij naar de Oost en gaat hij werken in een suikerfabriek. Op verlof in Nederland leert hij zijn latere vrouw kennen. Rie Lampe is ook een avontuurlijk type. Ze is sportief en ondernemend. Ze werkt als ‘au pair’ in Engeland en Frankrijk en is bepaald niet bang om alleen een uitdaging aan te gaan. In 1931 trouwen ze ‘met de handschoen’, wat betekent dat Gerard niet bij het huwelijk aanwezig is. De jonge bruid vertrekt alleen naar Indië waar de bruidegom inmiddels is begonnen op een plantage waar zowel koffie als rubber wordt geproduceerd. De zaken gaan goed en het stel beleeft gelukkige jaren.

Dochter Ank

In 1934 wordt op de plantage Garahan Kidoel hun dochter Ank geboren. Ze herinnert zich een vrolijke en onbezorgde kindertijd: ‘Je kunt rustig zeggen dat ik een bevoorrechte positie had. Je beseft het natuurlijk niet, maar ik was zo vrij als een vogel en elke dag was er wel wat te beleven. Je speelde altijd buiten, in de bergen was het minder warm dan in de steden. Mijn vader was speciaal voor dat mildere klimaat daar naartoe gegaan. Er werkten zo’n honderd mensen op de onderneming, er was een kleine kampong vlakbij waar ze woonden. We hadden een groot huis, allerlei personeel en een auto. Malang was ruim een uur rijden: eerst via wat bokkenpaadjes de berg af en dan een goede weg. Ik herinner me dat mijn vader een glanzende zwarte Ford kocht.’

Als Ank 8 jaar is verandert alles. De Japanners hebben in korte tijd Java veroverd en iedereen wacht in spanning af. In de eerste maanden gebeurt er niets, maar de sfeer van vroeger is weg: ‘Ik weet nog goed dat ik met mijn moeder in de trein zat en een Japanner mij snoep aanbood. Ik wilde het niet aannemen, maar mijn moeder zei dat ik dat toch moest doen. Om ze niet onnodig kwaad te maken. Ook de Indische mensen gedroegen zich anders; ze kwamen ineens zwemmen op plaatsen waar ze zich vroeger niet vertoonden. Ze lieten duidelijk merken dat de Nederlanders het niet meer voor het zeggen hadden’.

De portefeuille

Op een dag in 1943 wordt het gezin Bouthoorn gewaarschuwd dat de Japanners naar de plantage op weg zijn: ‘Mijn vader kon wel eens driftig zijn, maar hij had zich voorgenomen niets te zeggen of te doen wat moeilijkheden zou kunnen geven. Zo was hij een bewonderaar van Winston Churchill, maar hij had een groot portret dat bij ons thuis aan de muur hing al weggehaald. De Japanners werden beleefd met een kop koffie ontvangen en er leek weinig aan de hand. Maar mijn vader moest wel mee, het ging allemaal alsof het niets bijzonders was. Toen hij in een vrachtwagen stapte zei hij nog tegen me: ‘Zal je lief zijn voor mama?’.
Ik heb mijn vader nooit meer teruggezien. In september 1943 moest mijn moeder naar het hoofdkwartier van de Kempeitai, de Japanse politie, komen en zonder enig commentaar kreeg ze de portefeuille van mijn vader. We wisten niet waar hij zat of wat er van hem geworden was.’

Halmaheira

In december 1943 moeten moeder en dochter Bouthoorn hun huis verlaten. Via Djember en Soerabaja komen ze terecht in het vrouwenkamp Halmaheira, waar ze met anderen een simpel huisje moeten delen: ‘Ik weet nog goed dat we daar aankwamen, de tafel was gedekt en de etensresten van de vorige bewoners lagen er nog. Eerst ging het nog, maar het werd steeds beroerder. Er was weinig te eten, er heersten allerlei ziektes en medicijnen waren er niet.
Mijn moeder verzwakte en werd ziekelijk. Ze lag alsmaar in bed en verloor de moed. Er was een oude verpleegster, mevrouw Zeilmans, die zich over me ontfermde en ik weet ook nog dat mijn moeder aan haar vroeg of ze me mee naar Nederland wilde nemen. Mijn moeder stierf en zoals ik zo vaak bij anderen had gezien werd ze in een simpele bamboekist gelegd en weggedragen. De deuren van het kamp gingen open en dicht en dat was het’.

Bevrijding

Een maand later komt de bevrijding en plotseling zijn de Japanners verdwenen. In Soerabaja beleeft Ank, terwijl ze met anderen wacht op eeen schip naar Nederland, een vreselijke tijd. Overal in de haven wordt gevochten en ze ligt doodziek in een kamer: ‘Ik had Beri Beri en het had niets gescheeld of ik was eraan bezweken. Maar ik werd geholpen door een Indische dokter. Die man werd een paar dagen later vermoord omdat hij Nederlanders had verzorgd, het was allemaal zo naar. Het is ons toch gelukt op een schip te komen en via Singapore en Southampton zijn we in Nederland aangekomen’.

Het schilderij
Ank wordt door familie opgevangen. Via het Rode Kruis komt het bericht dat haar vader meteen in de zomer van 1943 door de Japanners is vermoord. Lang kan ze moeilijk praten over het lot van haar ouders en de ervaringen tijdens de oorlogsjaren. Alles wat ze nog heeft is de portefeuille van haar vader en de foto’s die haar ouders naar Nederland hebben gestuurd. Het schilderij dat haar vader op verlof in 1928 heeft meegenomen is er ook nog, maar dat blijft lange tijd op zolder liggen. Ruim vijftig jaar later kan ze er pas weer naar kijken. Het hangt nu in de kamer, samen met een ander berggezicht uit Oost-Java: ‘Ik ga in de zomer van 2009 met man, kinderen en kleinkinderen terug naar Indonesië. We hebben een gids die ons langs alle plekken van mijn jeugd rijdt, ik ben heel benieuwd. Het zal soms wel moeilijk worden, maar het is fijn dat we met z’n allen gaan. Het is ook belangrijk om het graf van mijn ouders te bezoeken. Ik heb het idee dat ik toch nog een keer terug moet. Daar liggen mijn wortels, er is geen dag in Nederland dat ik niet aan mijn Indische jaren terugdenk’.

De website van de Oorlogsgravenstichting maakt gebruik van cookies. Hierdoor wordt onze website gebruikersvriendelijker en kunnen we u beter van dienst zijn.