Verhaal vertellen als eerbetoon

Verhaal vertellen als eerbetoon

Een brief naar Nederland

In november 1945 schrijft de dertienjarige Connie Suverkropp een brief naar haar grootmoeder in Nederland. Samen met haar twee oudere broers en twee jongere zussen heeft ze zojuist via het Rode Kruis vernomen dat haar vader en de twee andere grootouders de Japanse bezetting van Nederlands-Indië niet hebben overleefd. De kinderen zijn geheel op zichzelf aangewezen, want ook hun moeder heeft het niet gered. Connie schrijft: ‘Mammie heeft in december 1942 TBC gehad; in ’t kamp is ze nog een jaar zenuwziek geweest. Een paar maanden geleden heb ik haar nog gezien, verder nooit meer. Alleen toen ze ingeslapen was. Gelukkig lag ze erg rustig en vredig.’

Met twee grote broers op avontuur

Het gezin van het echtpaar Suverkropp is een gelukkig en vrolijk stel. De eerste drie kinderen vormen een hechte eenheid. De donkere Claus is altijd in voor iets spannends; zijn blonde broer Trudes verzint de plannen. Hun zusje Connie is gefascineerd door haar grote broers en wil overal aan meedoen. Vader Suverkropp werkt als ingenieur bij het Gemeentelijk Elektriciteitsbedrijf Bandoeng En Omstreken (GEBEO) en is een gezien man. Naast zijn werk is hij actief in allerlei openbare functies; hij is zanger in de Mattheüs Passion en is overtuigd vrijmetselaar. Connie Suverkropp beseft dat zij een bevoorrecht kind was: ‘Alle kinderen zouden zo’n jeugd moeten hebben. Mijn vader was een intelligente en humoristische man; hij kon prachtige verhalen vertellen. Moeder was een lieve, maar ook sterke vrouw, ze schrok nergens voor terug. We hadden het heel fijn aan de Bazelweg in Bandoeng. Ik heb op een Vrije School gezeten, ik heb er louter goede herinneringen aan. Allerlei kattenkwaad uithalen met mijn broers, dat was natuurlijk helemaal fantastisch. In 1936 zijn we langere tijd op verlof geweest naar Nederland. Het was zwaar weer in de Golf van Biskaje, maar ik was niet zeeziek. In die tijd zijn we ook op wintersport geweest; ik weet nog goed dat ik werd aangesproken met ‘fräulein’; het was één groot avontuur’.

‘De familie Suverkropp zat al generaties lang in Indië. Mijn grootvader was beroepsmilitair in het KNIL en hij was lid van de Rekenkamer geweest. Ik herinner me nog de bezoeken aan het landgoed in Pengalengan, waar mijn grootouders op latere leeftijd een grote tuin exploiteerden. Ze leverden groenten aan de plaatselijke hotels, maar er waren ook veel dieren. Mijn grootmoeder riep de kalkoenen als ze eten kregen en de vissen kwamen alleen naar de kant wanneer zij voer kwam brengen. Ze zei dat de vissen aan de trillingen van de voetstappen konden merken wie er aankwam. Mijn grootouders waren best streng, maar tijdens elk bezoek gebeurde er wel iets bijzonders; dat blijft je als kind altijd bij’.

Een vrachtwagen in het donker

Het nieuws van het uitbreken van de oorlog in Nederland werd in Indië met verontwaardiging ontvangen. Connie Suverkropp voelde dat de sfeer grimmiger werd: ‘Van oorlog wist ik niets, maar ik weet nog dat mijn broer vloekte en niet gestraft werd. In Bandoeng hield men rekening met een Japanse aanval. Mijn vader zat in een vernietigingsploeg die belangrijke installaties onklaar moest maken wanneer de Japanners zouden komen, er werden op school luchtbeschermingsoefeningen gehouden en in onze tuin hadden we een loopgraaf om te schuilen. Maar toen de oorlog eenmaal kwam bleken al die voorbereidingen zinloos. Ik zag op 8 maart 1942 Japanse soldaten en ik was voor het eerst in mijn leven vreselijk bang. Met veel lawaai kwamen ze bij ons thuis; ze dachten dat onze pianoboeken een soort geheimschrift waren. Ze namen van alles mee en lieten er geen twijfel over bestaan wie er de baas was. We mochten niet meer naar school. D de klok werd verzet, het was voortaan het jaar 2602 en op straat moest je buigen voor elke Japanner. Korte tijd nadat mijn vader was ontslagen werd hij door de militaire politie, de Kempetai, gearresteerd; dat was heel traumatisch. Hij moest in een vrachtwagen stappen en werd weggevoerd; ik ben er in het donker nog achteraan gerend. Het is het laatste wat ik van hem heb gezien.'

Alleen in het kamp

Connie: ‘Inmiddels waren er vijf kinderen, mijn zusjes Els en Kathy waren erbij gekomen. Mijn vader heeft de jongste maar veertig dagen gekend. We werden eerst nog met rust gelaten, maar later moesten we onderduiken in ons eigen huis. Mijn moeder bleek tbc te hebben. Er werd een plakkaat met Japanse tekens opgehangen waarop iedereen werd gewaarschuwd voor de besmettelijke ziekte; dat heeft ons nog lang uit het kamp gehouden. Maar uiteindelijk zijn we verraden: in april 1944 werden we door de kempetai opgehaald en in de gevangenis gezet. Daarna gingen mijn broers naar de kazerne van het 15e bataljon; daar werden mannen en jongens opgesloten. Mijn moeder en haar drie dochters belandden in Tjihapit, waar 14.000 vrouwen en meisjes waren geïnterneerd. Maar omdat mijn moeder nog steeds ziek was werd zij uit het kamp verwijderd en naar een hospitaal gebracht. Ik ging op een dag eten halen, ik kwam terug en mijn moeder was weg. Ik was 12 jaar en alleen met mijn zusjes van vijf en twee.'

'Via een schoolvriendinnetje vonden we een vast onderkomen, maar het was natuurlijk heel moeilijk. Het gekke is dat je je, hoe jong ook, aanpast aan de situatie. Ik was voortdurend bezig en had geen tijd om na te denken over wat dan ook. Een ploeg die de straat veegde en de riolen onderhield had iemand nodig en ik ging erbij omdat ik gehoord had dat er ook werd gewerkt in het hospitaal waar mijn moeder lag. Zo heb ik haar regelmatig kunnen bezoeken; het ging wel en we konden nog wat praten, maar haar weerstand was gebroke. De kans dat ze beter zou worden was klein. Ik heb ook mijn grootvader nog ontmoet: ik kreeg geld van hem en hij zei dat ik moest volhouden.’

Het afscheid

‘Mijn grootouders zijn allebei in het Jappenkamp bezweken. Mijn vader is met vele anderen naar de Birma-spoorlijn afgevoerd en daar in juni 1943 als dwangarbeider omgekomen. Wij hebben dat pas na de bevrijding gehoord. In november 1944 zijn we naar Batavia gebracht; het laatste oorlogsjaar hebben we daar in de Struiswijkgevangenis gezeten. Het was een vreselijk hok, maar er was wel stromend water. We hebben het net kunnen redden. We waren apathisch geworden, je was in een soort roes, je deed wat nodig was om te overleven. In mei 1945 werden we door de Japanners opgehaald en hebben we één uur bij moeder gezeten in het ziekenhuis St. Vincentius in Batavia. Het ging erg slecht met haar, ik ben toen erg geschrokken. In september was ik alleen bij haar begrafenis en heb ik afscheid van haar kunnen nemen. Hoewel de Japanners al gecapituleerd hadden, werd ik daarbij door hen beschermd. Er heerste overal wanorde en je kon op straat zo maar worden neergeschoten door Indonesische rebellen.'

Het verleden reist mee

‘Gelukkig hadden mijn broers het ook overleefd en we wilden met ons vijven zo snel mogelijk naar Nederland. Vanuit die chaotische toestand heb ik allerlei brieven geschreven. Naar onze grootouders in Baarn, naar een tante. We kregen bericht terug dat er vijf pleeggezinnen voor ons gevonden waren, maar dat wilden we helemaal niet, we wilden samen blijven. Uiteindelijk zijn we in het Hospice Wallone in Den Haag beland, een tehuis waar je hard moest werken en streng werd behandeld. Maar je kreeg wel de kans de draad weer op te pikken en school af te maken. We hadden op allerlei gebied veel in te halen. De vijf kinderen hebben allemaal een eigen pad gekozen, maar we zijn er doorheen gekomen. We maakten elk jaar een foto voor de familie en dat zijn prachtige documenten.'

‘Voor mij betekende de oorlog dat ik veel te vroeg en in enorm tempo volwassen moest worden, verantwoordelijk was voor mijn zussen in een afschuwelijke situatie. Ik heb lange tijd veel emoties buiten gesloten en de realiteit niet geaccepteerd. Het heeft jaren geduurd voordat ik werkelijk aanvaard had dat mijn vader overleden was. Ik had ook een talenknobbel, net als hij. Dat kwam goed te pas, want ik heb na mijn huwelijk in 1954 twintig jaar in Zwitserland gewoond, een ontmoetingsplaats van allerlei talen en dialecten. Toen ik na de scheiding met mijn zoon en twee dochtertjes in Nederland terugkeerde had ik grote angst dat zij ook alleen zouden komen te staan, ook hun moeder zouden moeten missen. Ik denk dat ik toen pas de gebeurtenissen van de oorlog heb verwerkt. Wat ook belangrijk is geweest is dat ik er nooit over heb gezwegen, ik vertelde het wel, had later zelfs de behoefte om eraan bij te dragen dat ons Indische verleden niet in de vergetelheid raakt. Na mijn pensionering als lerares Duits ben ik actief geworden in de Stichting Gastdocenten WOII. Ik vertel op scholen over de Japanse bezetting en wat dat voor kinderen betekend heeft. Het is heel belangrijk dat die verhalen bewaard blijven.'

Het belang van Indische verhalen

‘Ik zal tot het laatst blijven strijden voor de zaak van de Indische Nederlanders. Want het is echt een ondergeschoven thema, de kennis over wat toen gebeurd is blijft beperkt tot een kleine groep. Ook binnen het geschiedenisonderwijs worden we afgedaan met een paar zinnen. De meeste politici denken aan de handelsbelangen en laten ons links liggen. Ik ben met een delegatie in Japan geweest en was verbijsterd over de gefilterde kennis van de schoolkinderen daar. Ze weten je van alles te vertellen over de Jodenvervolging in Nederland, maar over de misdaden van hun landgenoten weten ze niets. Dat moeten we hier niet laten gebeuren. Want de dood van mijn ouders en grootouders mag toch niet voor niets zijn geweest.'

'Ik ben verschillende keren naar de erevelden in Indonesië en Thailand geweest. Het graf van mijn moeder was lange tijd onvindbaar. Kort geleden is komen vast te staan dat zij destijds op een gemengde Chinees/christelijke begraafplaats is bijgezet. Het is erg rustgevend dat de plek gevonden is, want wanneer je daar geen zekerheid over hebt doet het extra pijn. Leed kun je niet vergelijken, het is persoonlijk, ieders ervaringen zijn uniek. Ik voel me geen slachtoffer, ik ben zeker niet zielig. Ik denk dat het belangrijk is dat je weerbaar blijft en niet opgeeft, dat is het beste eerbetoon aan al diegenen die het niet hebben overleefd.'

De website van de Oorlogsgravenstichting maakt gebruik van cookies. Hierdoor wordt onze website gebruikersvriendelijker en kunnen we u beter van dienst zijn.