Gerrit's zeemansgraf is voor de kust van Zuid-West Celebes

Gerrit's zeemansgraf is voor de kust van Zuid-West Celebes

Jeugd

In het Gelderse Buren wordt op 26 november 1914, Gerrit Johannes geboren. Familie Van der Velden woont in de Kerkstraat. Vader Martinus en moeder Cornelia zijn trots op hun eerstgeborene. Gerrit krijgt een zusje Aartje als hij nog geen 2 jaar is, maar zij sterft na 7 maanden. Daarna wordt een zusje geboren die ze vernoemen naar Aartje. Later volgt zusje Andrika Willemina, maar ook zij sterft na 8 maanden. Vader werkt op steenbakkerij Ariëns niet ver van Buren. Gerrit gaat naar de bewaarschool om de hoek en daarna naar de openbare lagere school. Hij krijgt ook nog twee broertjes; Maarten en Andries.

Gerrit helpt al jong mee in de steenfabriek, er moet brood op de plank komen. Het is vervelend dat hij geen vast werk vindt en op 19-jarige leeftijd gaat hij in militaire dienst.

Op 11 mei 1934 tekent hij voor 5 jaar bij het Korps Koloniale Reserve van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Voor zijn basisopleiding gaat hij naar de Prins Hendrikkazerne in Nijmegen. Het is een harde training van 4 maanden. Gerrit leert er Indisch te eten; rijst met sambal. Als zijn opleiding erop zit vertrekt hij met de boot naar Java.

Naar Java in Nederlandsch- Indië

De reis duurt zo’n 6 weken. Gerrit is ingedeeld bij de 6e compagnie van de Kust- en Luchtdoelartillerie Semarang. Het tropische klimaat went snel en het leven als kanonnier bevalt goed. Als in 1939 zijn periode van 5 jaar voorbij is tekent hij bij voor 6 jaar. In januari 1940 is hij met een compagnie op Ambon. Daar ontmoet hij Wilhelmina Hendrika Silanno, zij is 19 hij 25.

Gerrit vraagt haar ten huwelijk en ze trouwen in 1941. Veel tijd als pril echtpaar krijgen ze niet. In januari 1942 valt Japan Nederlandsch-Indië binnen. Het KNIL capituleert op 8 maart. Nog geen 10 dagen daarna wordt Gerrit vastgezet in de Djoernatangevangenis in Semarang. Op 15 april wordt hij met zijn compagnie getransporteerd naar het streng bewaakte Jaarmarktkamp in Soerabaja.

In Magalang (Midden-Java), kilometers van Gerrit vandaan, brengt zijn vrouw Wilhelmina op 21 juni 1942 hun zoontje Martinus Paulus ter wereld. Zullen zij elkaar ooit zien?

Reis naar het onbekende

De Japanners stellen op 18 april 1943 voor Soerabaja een groot scheepskonvooi samen. Vlak daarvoor zijn uit allerlei krijgsgevangenkampen op Java duizenden krijgsgevangenen hiernaartoe getransporteerd. Zij hebben geen idee waar de reis heen gaat, laat staan dat ze Java per schip verlaten. ‘Jullie gaan naar een plaats waar hard gewerkt moet worden, als dat goed verloopt dan duurt het 6 maanden’, zegt een Japanse arts. De achterblijvende vrouwen op Java hebben geen benul dat hun mannen uit alle rangen en standen van de Indische maatschappij, van Java worden weggevoerd.

Op 18 april schepen in Soerabaja zo’n 6000 mannen in voor de zeereis met onbekende bestemming. Gerrit moet aan boord van het Japanse troepentransportschip Kunitama Maru. In de drie ruimen is ligruimte gebouwd met houten stellages. Die is echter niet berekend op langere Europeanen. Gerrit bemachtigt een plaatsje tussen 1500 mannen waar nog geen plaats is voor 1200 man. Er breekt brand uit op het 200 meter verderop gelegen schip de Siberg, er volgt een hevige explosie. Een regen van staal en brandende materialen vliegt over Gerrit’s schip. De Siberg verdwijnt in de golven.

In de brandende tropenzon wachten ze 4 dagen voordat het anker wordt gelicht. Eindeloze dagen volgen in tot stikken toe benauwde overbevolkte ruimen. ‘Door de weerzinwekkende smerige omstandigheden en de samengepakte mensenmassa komt de bacillaire dysenterie tot uiting,’ schrijft de Nederlandse militaire arts Rudy Springer in zijn dagboek. Hij werkt al 10 jaar in Indië en is toegevoegd aan de Britse krijgsgevangenen.

Overleven

De barre tocht gaat naar het oostelijke deel van Indië. De Japanners willen dit eilandengebied beter kunnen verdedigen en er vliegvelden aanleggen. Hiervoor worden de duizenden mannen aangevoerd. De geallieerden ontcijferden al begin 1943 de Japanse berichtencodes en hebben continue overzicht van de Japanse activiteiten.

Op 27 april splitst het konvooi. Gerrit’s deel reist richting Ambon waar ze 29 april in de baai van Ambon voor anker gaat en om 09.30 uur het luchtalarm loeit. De Japanners zijn in paniek; de krijgsgevangenen worden de ruimen ingeranseld en het afweergeschut op de achterboeg begint te blaffen. Glurend door een luik doet een krijgsgevangene verslag. Hij ziet vijf geallieerde B-24 Liberators rustig in formatie voorbijvliegen. De formatie valt uiteen en twee toestellen vliegen over het schip met daarin Gerrit en de vele angstige mannen. Die verwachten ieder moment een voltreffer. Maar de bommen vallen op de wal en de machines verdwijnen.

In de ochtend komt Gerrit op 30 april 1943 uitgeput aan in de baai van Amahei van het eiland Ceram. De Japanners willen daar een vliegveld aanleggen. Prinses Juliana is vandaag jarig, ze noemen het te bouwen kamp daarom Julianakamp. Onder veel wrede afranselingen lossen de mannen in recordtijd de schepen. Een latere ontsnappingspoging mislukt; kampcommandant Shiozawa haalt de beruchte militaire politie Kempetai erbij. Er volgen uiterst wrede straffen en executies. Gerrit hoort gelukkig niet bij de 28 ongelukkigen die achterblijven op het kerkhofje.

Wilhelmina op Java en zijn familie in Nederland maken zich ernstig zorgen. Op 1 oktober 1943 ontvangt Gerrit’s vader een brief van het Nederlandse Rode Kruis in Geneve dat uit Tokio het bericht had ontvangen: ‘Prisoner of war: gj vandervelden 90416’ Voor het geval dat U dezen militair eenig bericht wenscht te doen. Adressering Dutch Prisoner of War “Java Camp” via Japan’. De familie schrijft natuurlijk, maar veel post komt niet aan of wordt door de Japanners onder hun ogen verbrand.

Na maanden van zware arbeid wordt op 20 oktober het Julianakamp op Amahei achtergelaten. Het werk ziet er aan de buitenkant stevig uit, maar is wel gesaboteerd.

In kleine schepen varen ze naar het eilandje Haroekoe om daar - vanuit het Pelauwkamp - een vliegveldje operationeel te krijgen. Er is een sadistisch regiem en de ontberingen en dysenterie doodt vele mannen. Dokter Springer biedt medische hulp en houdt dodenlijsten bij. ’s Morgens op 7 december 1943 bombarderen twaalf Amerikaanse Liberators het dorp Pelauw en het vliegveld. Gerrit en de krijgsgevangen duiken weg, ook dit zoveelste bombardement overleeft Gerrit.

Eind april 1944 is het vliegveld klaar. Op 28 april scheept Gerrit in voor een tocht naar de noordoostkust van Ambon, om daar een vliegveld bij Liang te bouwen. Het kamp is onbeschrijflijk slecht; veel dysenterie en uitgeputte zieken met grote tropische zweren. De hongersnood slaat toe, ze eten honden, slangen, ratten en muizen.

De bombardementen op het Ambonese Liang nemen toe. De krijgsgevangenen worden afgevoerd naar armetierige barakken aan de Ambonbaai. De toestand wordt erbarmelijk, er is nauwelijks eten. Het uitgedunde aantal wordt in groepen afgevoerd in schepen die vaak vergaan. Gerrit blijft met 450 man achter om de restanten van de Japanse bezittingen in schepen te laden. Springer schrijft: ‘Je ziet de weerstand breken, niemand koestert hoop hier ooit levend uit te komen.’

Zeemansgraf

Gerrit moet aan boord van de Maros Maru, een klein Nederlands KPM-schip, het is nauwelijks zeewaardig en heeft niet genoeg ruimte. Enige dagen later moeten er nog 140 mannen bij die een scheepsramp hadden overleefd. Op 21 september 1944 vertrekt de overbeladen Maros Maru vanuit Raha met bestemming Makasser. Ze varen langs de zuidkust van Celebes om aanvallen van geallieerden te ontwijken. Gerrit is uitgemergeld en uitgeput. Op 3 oktober krijgt hij bacillaire dysenterie. Gerrit Johannes van der Velden overlijdt aan alle ontberingen om 17.00 uur op 7 oktober 1944 op 29-jarige leeftijd. Er sterven die dag 11 mensen aan boord van de Maros Maru. Op Gerrit zijn interneringskaart staan (in het Japans) de coördinaten waar hij overlijdt en ‘lichaam overboord gezet’. Gerrit’s zeemansgraf is voor de kust van Zuid-West Celebes. De Nederlandse soldaat tweede klasse, kanonnier bij het KNIL, heeft zijn zoontje nooit gezien.

De nabestaanden in Nederland blijven lang ongewis van Gerrit’s overlijden. In Buren luistert moeder naar de speciale radioberichten. Gerrit’s kleine neefje herinnert zich nog dat hij via het raampje naar binnen gluurde in de laaggelegen keuken. ‘Dan deed opoe de vaat en stond ze te huilen.’

Dinsdag 12 maart 1946 hoort ze Gerrit zijn naam in de radio-uitzending van 11.45 uur. Leeft hij nog? Ze doen navraag bij Oorlogsnazorg van het Nederlandsche Roode Kruis in Den Haag die dan op 8 april 1946 een overlijdensbericht stuurt. Maar ze krijgen net daarvoor al een bericht uit Batavia. Vertwijfeld vraagt vader nog na hoe dat kan: ‘Wij kunnen het niet begrijpen, de een zendt uit bevrijdt, de ander gestorven.’ De naam op de radio was niet Gerrit Johannes van der Velden, maar Gerrit van der Velde (zonder n).

Wilhelmina en zoontje Martinus Paulus blijven wonen in Indonesië. Na een studie werkt Martinus 30 jaar als engineer op een schip. Hij krijgt vijf dochters en zoon Feki Gerit van der Velden, waarmee de familienaam blijft voortbestaan in voormalig Nederlandsch Indië.