Zwart wit

Zwart wit

Ereveld Tjililitan

Zich meters verheffend boven een omringende natuur van klapperbomen, rijstvelden en palmen ligt een klein ereveld: Tjililitan. Via een witte ommuring met een poort daarin, kun je je toegang verschaffen. Hier wordt in 1946 Cornelis Rinn begraven: een wit monument met een wit kruis, een witte rand om het graf en een witte helm die aan de voet van het kruis is geplaatst, zoals dat ook bij die andere 99 witte kruisen is gedaan. Witte palmtakken sieren het graf.

De zwarte rand om de rouwbrief is zeker een centimeter dik. Geen afscheid kunnen nemen van de stervende of gestorvene, niet bij de begrafenis te kunnen zijn, laat een zwart gat van verdriet achter bij de nabestaanden…

 

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet

Kees (Cornelis) Rinn werd in 1926 in Axel, een stadje in het hart van Zeeuws-Vlaanderen geboren. Hij was de oudere broer van Dries (nu Dré genoemd) die vier jaar na hem kwam. Toen de broertjes respectievelijk veertien en tien waren, kwam de Duitse bezetter. Dré herinnert zich zijn broer als een intelligente jongen die mooi kon tekenen. Door het leeftijdsverschil speelden ze niet veel samen, maar eenmaal in bed – ze sliepen samen op zolder in een groot houten ledikant -  kon ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ de wakkere jongens nog wel even bezig houden.

De eerste jaren van de oorlog hebben weinig herinneringen nagelaten bij Dré. De vader van de jongens werkte als tuinman en huisman bij de financieel directeur van de Compagnie Neerlandaise de l’Azote te Sluiskil, afgekort CNA en later bekend als de Nederlandse Stikstof Maatschappij. Kees ging eerst naar de Ambachtsschool in Terneuzen en werkte daarna bij het machinebedrijf Hoornaart in de Tramstraat in Terneuzen. Daarnaast volgde hij schriftelijk technisch onderwijs bij het Polytechnisch Bureau Nederland Arnhem, de PBNA. Hij kon goed leren.

 

De mens wikt

Na enkele jaren van bezetting, eisten de Duitsers in 1944 de machines op van de CNA. En dat niet alleen, ook het personeel moest mee naar Duitsland. Zelfs de vader van Kees en Dries, hoewel hij helemaal niet met de machines had gewerkt. De Duitsers hadden in hun eigen land steeds meer werkende mannen opgeroepen om hun dienstplicht in de oorlog te vervullen en daardoor was een tekort aan gewone werkkrachten ontstaan. Dit werd aangevuld met input uit door hen bezette gebieden, wat de ‘Arbeitseinsatz’ werd genoemd.  

Sommige mannen doken onder om niet naar Duitsland te hoeven, maar vader Kees koos ervoor dit niet te doen. Hij was bang dat de Duitsers anders Kees zouden oppikken. Vader Kees werd te werk gesteld in Duitsland, ergens nabij de Poolse grens. Toch kreeg ook de 18-jarige Kees een oproep voor de ‘Arbeitseinsatz’. Hij dook wèl onder. Dré herinnert zich dat timmerman Tinus van Doeselaar, die in het verzet zat, met een houten laddertje en wat gereedschap aan kwam zetten in de Oosterstraat waar zij woonden, zogenaamd om een klusje te doen. Hij overhandigde aan de moeder van de jongens een briefje met het onderduikadres erop. Het was een boerderij in de buurt van Zaamslag. Dries is er als 14-jarige een keer naartoe gefietst om even zijn broer te kunnen zien. Hij kreeg wat peren mee voor thuis.

 

Bevrijding

Toen de bevrijding van de Duitsers in 1945 eenmaal een feit was, duurde het toch nog enige weken voordat vader Rinn uit Duitsland was teruggekeerd. Grote delen van de terugtocht naar Nederland had hij moeten lopen. Natuurlijk wilde hij niets liever dan zijn gezin aan zijn boezem drukken, maar er wachtte hem een verrassing: zijn oudste zoon en naamgenoot Kees had zich direct na de bevrijding door de Polen, die in het zuiden van Nederland in september 1944 plaatsvond, aangemeld bij het Nederlandse leger om als oorlogsvrijwilliger (OVW-er) naar Nederlands-Indië te gaan. Hij werd ingedeeld bij de 2e compagnie 2e bataljon 14 Regiment Infanterie van de Koninklijke Landmacht. In september 1945 vertrok hij op 19-jarige leeftijd met het bataljon Zeeland naar Engeland en kort daarna vanuit Liverpool naar Nederlands-Indië, waar hij werd gelegerd in Tandjong Priok. Het bataljon heeft zijn handen vol aan zuiveringsacties op West-Java…

Of je nu zegt dat het lot grillig is of dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn, feit is dat de zoon die door de vader zo nadrukkelijk beschermd werd, midden in de slechte omstandigheden van een oorlog terechtkwam. Met alle kennis die we nu hebben over de rol die Nederland in Indonesië speelde, kun je je afvragen of het een goede keus was. Voor vele Indonesiërs waren de Nederlanders immers net zozeer een onderdrukker als de Duitsers dat voor ons waren. Maar achteraf, met alle kennis die we nu hebben, is het altijd makkelijker oordelen. Het is nooit zwart-wit. Kees wilde als plichtsgetrouwe jongen met zijn hart op de goede plaats meehelpen om orde, rust en recht te brengen in een gebied waar de Japanse bezetting chaos en ellende had gebracht. Hij hield van zijn vaderland – wellicht nog extra aangewakkerd door de Duitse bezetting – en wilde zijn land dienen. Indië hoorde bij Nederland en moest van de Japanse bezetter worden bevrijd.

 

Zwarte tijding

Aanvankelijk schreef Kees brieven naar huis, brieven die niet bewaard zijn gebleven. Via leden van zowel de gereformeerde jongelingsvereniging als de gereformeerde meisjesvereniging werden op de zolder van manufacturenwinkel Dekker-Vermeulen pakketten met wat houdbare producten, zoals zeep en Zeeuwse babbelaars in blik, klaargemaakt. Deze werden, voorzien van een persoonlijk briefje, verzonden naar Kees en naar andere daar verblijvende doopleden van de gereformeerde kerk.

De brieven hielden op te komen en Kees’ ouders en jonge broer hielden hun hart vast. De ongerustheid groeide en zij leefden enkele maanden tussen hoop en vrees. Die hoop werd de bodem ingeslagen op de avond dat een donker geklede man met zwarte hoed aanbelde. Het was predikant Post met de tijding dat bij de gemeente Axel het bericht was binnengekomen dat Cornelis Rinn op 14 oktober 1946 was overleden. Kort daarop hoorde de familie dat Kees aan een longziekte was bezweken en dat de begrafenis al had plaatsgevonden. Weer even later ontving de familie de portemonnee van Kees en zijn bijbel. 12 april 1949 ontvingen de nabestaanden een certificaat namens de toenmalige minister van oorlog, met het bijbehorende ereteken voor orde en vrede met de gesp ‘1946’. Dit postuum toegekende ereteken hangt tot op de dag van vandaag bij Dré en zijn vrouw Akko in de kamer bij de schoorsteen. Akko heeft Kees ook gekend en het paar heeft de sterfdatum van Kees, 14 oktober, zelfs gekozen als trouwdatum om die dag een extra markering te geven.

 

Pelgrimage naar een oorlogsgraf

Kees’ ouders en Dries bleven een leegte voelen. Zij hebben nooit iemand gesproken die hem in Indië had meegemaakt, wisten niets over hoe lang het ziekbed had geduurd en hadden niet bij de begrafenis kunnen zijn. Duidelijk was wel, dat Kees nooit de eindbestemming, het gebied rond Padang op Sumatra had bereikt. Hij stierf in het ziekenhuis in Tjibinong, een onooglijk plaatsje langs de route Batavia-Bandoeng. Op diezelfde dag van zijn overlijden werd hij begraven op het ‘witte’ ereveld nabij het militaire vliegveld Tjililitan. In 1968 is dit ereveld verplaatst naar het grotere ereveld Menteng Pulo bij Jakarta, waar Cornelis Rinn, Kees, nu begraven ligt. Het ereveld telt 4270 graven en 728 urnen met asresten van in Japan omgekomen en aldaar gecremeerde Nederlanders. Begin jaren negentig overlijden de ouders van Kees, zij hebben nooit zijn graf kunnen bezoeken om te rouwen op een plek die zoveel betekenis heeft.

Dré en Akko maakten in het jaar 2000, samen met andere nabestaanden, een door de Oorlogsgraven Stichting geïnitieerde ‘pelgrimsreis’ naar Jakarta van waaruit onder andere ook het ereveld Menteng Pulo werd bezocht. En dan, 54 jaar na Kees’ dood kan er eindelijk een hand op het graf gelegd worden. En een bos bloemen. Het blijkt een belangrijk moment in de rouwverwerking. Het respect en de zorg waarmee de erevelden worden onderhouden brengt iets van rust.  

 

Oorlogsslachtoffer, slachtoffer van de oorlog

Sinds 30 augustus 1996 is er een Indië-monument in Terneuzen, waar nabestaanden ieder jaar de laatste vrijdag van augustus kunnen herdenken. Op een plaquette met het gemeentewapen van Axel staat in witte letters de naam van Cornelis Rinn bijgeschreven. Hij is niet in de strijd gestorven, maar is wel een oorlogsslachtoffer. Misschien is hij zelfs wel een slachtoffer van twee oorlogen. De Tweede Wereldoorlog, die door spanningen en voedselgebrek een opgroeiende jongen geen optimale constitutie meegaf en de oorlog in Nederlands-Indië, die slechte hygiënische en medische omstandigheden met zich meebracht.

Het monument stelt een besleng voor, een omheining van bamboe waarmee in Nederlands-Indië kampongs en legerkampen werden afgeschermd tegen gevaar. Waar je waarde aan hecht, wil je immers beschermen. Het zogenaamde vlechtwerk van de besleng is wit, de kleur van de onschuld en van vrede. Een ode aan jongens die het leven lieten voor een ideaal: orde en vrede brengen in een verscheurd land.

De website van de Oorlogsgravenstichting maakt gebruik van cookies. Hierdoor wordt onze website gebruikersvriendelijker en kunnen we u beter van dienst zijn.