Foto’s uit de zee

Foto’s uit de zee

Het spoor terug

Het gezin Galavazi komt na de Tweede Wereldoorlog ontredderd in Nederland aan. Vader Henk heeft de dwangarbeid aan de Birma-spoorlijn niet overleefd en bij de anderen heeft het verblijf in de Jappenkampen diepe sporen achtergelaten. Om te kunnen overleven wordt er zo min mogelijk over de gebeurtenissen gesproken. Zo nu en dan duikt de oorlog als een kwade droom weer op, verschillende keren moet een medische behandeling het leven weer zin en richting geven. Na het overlijden van moeder Loes stuit haar oudste zoon Hans op een ongesorteerd pakket documenten, brieven en foto’s. Een verzameling waarvan hij het bestaan niet kende. Het inspireert hem om op zoek te gaan naar het verleden. Hij herinnert zich gelukkige tijden in Nederlands-Indië met zijn ouders en zijn broer, maar ook de tragiek van krijgsgevangene Henk Galavazi en hij volgt: ‘Het spoor naar mijn vader’.

Voor de KPM naar Indië

Henk Galavazi wordt geboren in Amsterdam in 1905 en hij doorloopt als vlijtige leerling de HBS en de Handelsschool. Zijn vader is werkzaam in de scheepvaart en dat trekt hem ook. In de jaren twintig werkt hij als expediteur en scheepsbevrachter voor allerlei firma’s, onder meer in Kopenhagen en Hamburg. Hij vervult zijn dienstplicht en voltooit de officiersopleiding; hij geeft blijk van een sterk en standvastig karakter. Maar zijn ambities liggen op zee en hij treedt in dienst bij de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij. Hij is inmiddels verloofd met Loes Voerman en wanneer Henk naar Indië moet vertrekken reist ze hem achterna, nadat ze, zoals het toen heette, ‘met de handschoen’ is getrouwd.

Hans en Gerbrand

Henk wordt eerst in Soerabaja en later in Tegal belast met de afhandeling van het goederenvervoer op KPM-schepen. Het gelukkige echtpaar krijgt twee zoons, Hans en Gerbrand. In 1936 reist het jonge gezin naar Nederland voor enkele maanden verlof en het wordt een feest. Een hartelijk onthaal bij de familie Voerman, een zomer aan het strand. Henk, een echte kettingroker en altijd aan het werk, kan zich eindelijk ontspannen en genieten van zijn jongens.
Galavazi wordt na het verlof geplaatst op het hoofdkantoor van de KPM in Batavia. In de fraaie woning aan de Garoetweg is het een drukke bedoening; Henk altijd in de weer voor zijn werk, Loes bezig om de wildebrassen in toom te houden. In 1939 komt grootmoeder Voerman na de dood van haar man uit Nederland over. Aanvankelijk om een half jaar te blijven, maar door het uitbreken van de vijandelijkheden in Europa zal zij de oorlogsjaren in Indië doorbrengen.

Plicht

Het woord ‘plicht’ staat bij Galavazi hoog in het vaandel en hij meldt zich als reserve-officier van het KNIL bij de vrijwillige stadswacht. Een en ander leidt ertoe dat hij, na de Japanse aanval op Pearl Harbor in december 1941, door de KPM wordt uitgeleend aan het Gouvernement bij de bewaking van Tjilatjap. Maar hij is geen militair en nadat de haven door een Japans bombardement volledig is verwoest zou niemand het vreemd hebben gevonden wanneer hij naar huis was teruggekeerd. Maar dat doet hij niet: Galavazi meldt zich als vrijwilliger bij de infanterie, enkele dagen voor de onvermijdelijke capitulatie.

De telepaat

Door deze beslissing wordt hij door de Japanners beschouwd als een krijgsgevangene die gedoemd is zonder rechten te werken voor de bezetter. Vanaf de eerste dag van huis heeft Galavazi een dagboek bijgehouden en deze gewoonte zet hij in het werkkkamp voort. Korte, zakelijke aantekeningen getuigen van een vaste overtuiging dat hij zich door alle ellende heen zal slaan en dat hij anderen zal helpen dat ook te doen. In de eerste maanden ontmoet hij allerlei kleurrijke figuren, zoals een man die hij in het dagboek ‘de telepaat’ noemt. Deze figuur noteert een karakterschets van Henk Galavazi: ‘Aanleg: geestelijk verstandig, teruggetrokken, zeer gevoelig, ..., impulsief, hulpvaardig, ..., enigszins wonderlijk door zijn sensitiviteit’. Uit het dagboek blijkt dat deze kampbewoner er niet ver naast zat. Galavazi zet zich in om de orde in het kamp te handhaven, de Japanners zo min mogelijk aanleiding te geven voor geweld of strafmaatregelen. Zijn parool is overleven.

Nitimei Maru

In januari worden ongeveer duizend Nederlandse krijgsgevangenen ingescheept naar Singapore. Van daaruit gaat het verder op het schip ‘Nitimei Maru’. Zoals bij veel van dit soort transporten zitten de mannen met opgetrokken knieën opeengeperst in het bedompte ruim, zonder schoon water, voedsel of sanitaire voorzieningen. Op 14 januari wordt het schip gebombardeerd, enkele voltreffers zorgen ervoor dat de ‘Nitimei Maru’ in korte tijd zinkt. Veel Nederlanders worden gered door een tweede schip dat dezelfde reis maakt, de ‘Modji Maru’. Henk Galavazi ligt met honderden anderen een uur in het water en zijn schaarse bezittingen dragen er de sporen van. Zijn paspoort en officiële papieren, zijn dagboek en bovenal zijn gekoesterde foto’s van vrouw en kinderen.

Dood aan de spoorlijn

Leek het transport op een nachtmerrie, na aankomst in Birma blijkt het allemaal nog veel erger te kunnen. Samen met duizenden andere gevangenen werkt Henk Galavazi aan de spoorlijn, waarmee de Japanners in korte tijd een aanvoerroute over land willen aanleggen. Hoeveel doden daarbij vallen telt niet, het werk moet doorgaan. Galavazi komt terecht in een aantal ‘slechte’ kampen, genoemd naar de afstand afgelegd tussen Non Pladuk in Thailand en Thanbyuzayat in Birma. In Kamp 80 en Kamp 100 hebben sadistische bewakers en een meedogenloze commandant het voor het zeggen. De gevangenen worden afgebeuld en doodgehongerd. Er is geen ruimte voor rust, nauwelijks verzorging: wie ziek wordt valt af.
Henk Galavazi krijgt dysenterie. Later verklaart zijn medegevangene Jan Boer: ‘Ik herinner mij uw man in de hospitaalbarak maandenlang. Er waren geen geneesmiddelen, hij ging langzaamaan achteruit, kreeg er beri-beri bij, maar hij bleef altijd even opgewekt, bleef vechten. Kwam je bij hem dan stak hij een sigaar op en was altijd bereid tot een gesprek. Hij heeft het niet kunnen volhouden.’

Terug naar Birma

De dood kwam niet onverwacht. In zijn dagboeken heeft Galavazi zijn laatste woorden dwars over de pagina’s geschreven: een indrukwekkende getuigenis van een onafhankelijke geest: ‘Vandaag is het 2 september. Wellicht haal ik mijn verjaardag nog. Dan vecht ik precies 60 dagen. Je begrijpt dat ik eindelijk niet meer kan. Het is wel hard als je ons mooie leven gehad hebt en de bevrijding voor de deur staat. Schat van een vrouw, lieve kinderen en oma, wanneer ik ook ga, mijn laatste gedachten zullen bij jullie zijn. Schatten, ergens zullen we ons weerzien. Leer de jongens ... dat papa geen held was, maar zijn plicht deed.’
Zoon Hans Galavazi kijkt er vaak naar: de dagboeken, het verslag van de eerste herbegrafenissen bij de spoorlijn, een Japans ontvangstbewijs voor zijn vaders horloge, de rode kampnummers die de gevangenen van de Japanners moesten dragen. Hij reist verschillende keren naar Birma om het graf van zijn vader te bezoeken en te kijken naar de brug over de Kwai en andere stille getuigen. De laatste keer reisde zijn dochter met hem mee: samen op het spoor van zijn vader.

De website van de Oorlogsgravenstichting maakt gebruik van cookies. Hierdoor wordt onze website gebruikersvriendelijker en kunnen we u beter van dienst zijn.