Zo vrij als een vogel

Zo vrij als een vogel

Het hart op de tong

‘De versterkingen gaan nu geloof ik van een leien dakje en dat beginnen die Japs ook al aardig te voelen. Enfin, nog een poosje geduld, maar dan hoop ik toch werkelijk mee te mogen doen met het kapot rammen van alles wat made in Japan is incluis de smeerlappen zelf’, schrijft Guus Zuijderhoff in januari 1942 naar huis. Hij is sergeant-majoor monteur bij de militaire luchtvaartafdeling van het KNIL. Zijn schrijfstijl is vlot en direct en door de censuur worden er regelmatig stukken uit zijn brieven geknipt: hij draagt het hart op de tong en wil niets liever dan zijn vaderland verdedigen.

Een incompleet gezin

Guus Zuijderhoff is van kinds af aan gefascineerd door vogels en alles wat vliegt. Hij groeit op in Nederlands-Indië en hij is altijd buiten, op zoek naar avontuur, genietend van strakblauwe luchten en de weidsheid van het Indische landschap. Zijn grote wens is zelf een vliegtuig te besturen en zijn hele militaire carrière staat in het teken van die ambitie. Eerst als gewoon soldaat, maar al snel als monteur. Hij is een van degenen die altijd op het vliegveld te vinden zijn, sleutelen aan toestellen, problemen oplossen, genieten van de moderne machines. Later voert hij ook proefvluchten uit, een geoefend piloot in allerlei toestellen.
In 1937 trouwt hij met Jetty Tokaya, lerares op de huishoudschool in Batavia, dochter van een welgestelde ambtenaar. Ze krijgen twee kinderen, dochter José in 1938 en zoon Franc een jaar later. Groot is de schok als Jetty in september 1939 overlijdt. Grootmoeder Zuijderhoff komt in huis om te zorgen voor de kleine kinderen. 

Een groet met de vleugel

De vroegste herinneringen van José zijn schaars maar heel duidelijk: ‘Ik weet nog dat ik in de tuin speelde in een teil. In een ander beeld zie ik mijn vader thuis zitten, ik probeer langs de stoel omhoog te klimmen maar hij zegt: ‘papa is moe’. Ze wonen in de buurt van het vliegveld Kalidjati bij Bandoeng. Een bekende gewoonte van haar vader is om over het huis heen te vliegen en te wiebelen met de vleugels als groet voor zijn familie beneden.
Maar dan komt de Japanse aanval op Pearl Harbor en wordt Guus Zuijderhoff gemobiliseerd. Het valt hem niet mee van huis te zijn, maar hij kan ook niet wachten erop los te vliegen, de gehate Japanners te lijf. Maar het loopt allemaal anders. Op 3 maart 1942 wordt het vliegveld Andir gebombardeerd. Eigenlijk is er weinig aan de hand, de meesten hebben op tijd de schuilkelders kunnen bereiken en slechts enkele bommen hebben kraters geslagen. Wanneer de berg aarde bij een van de inslagen wordt afgegraven vindt men het lichaam van Guus Zuijderhoff, vrijwel ongeschonden, met een glimlach op het gezicht. Hij is in een fractie van een seconde bedolven, het enige slachtoffer van een onschuldig lijkende aanval.

Kinderen en oorlog

Grootmoeder Zuijderhoff belandt met haar twee kleuters in een huisje in de Houtmanstraat in Bandoeng, en later in de Tjihapit-wijk waar een kamp voor vrouwen en kinderen is ingericht. Ze delen de kleine ruimtes met ‘tante Pop’ en haar gezin en er zijn voortdurend spanningen en ruzies. José herinnert zich: ‘Mijn oma was een trotse vrouw, erg principieel en vreselijk streng. Natuurlijk heeft haar standvastigheid ons er doorheen geholpen, maar het maakte de kamptijd er niet gemakkelijker op, ik was altijd op mijn hoede en ik wilde elk conflict vermijden.’
Na de capitulatie van de Japanners in 1945 breekt een nog angstiger periode aan. Overal lopen gewapende bendes rond en het is erg onveilig op straat. José Zuijderhoff denkt er nog vaak aan terug: ‘Eerst hebben we in een garage op matrassen geslapen, ik weet nog dat de gordijnen altijd gesloten moesten blijven om de kogels op te vangen. Later werden we ondergebracht in de Mariaschool. We gingen elke morgen heel vroeg naar de kerk, mijn oma was erg vroom. Op een ochtend liepen we op straat en zag ik ineens twee onthoofde Nederlanders aan lantaarnpalen hangen. “Doorlopen”, zei mijn oma. Ik kan dit beeld soms niet van mijn netvlies krijgen’

Ongewenst

José  en Franc Zuijderhoff blijven nog tot 1955 in Indonesië, onder de strenge voogdij van hun oma. In de eerste jaren na de oorlog is er sprake van een ‘gewoon’ bestaan. Ze zijn actief in het katholieke kerkleven, José is lid van de Maria-garde. Ze bewaart mooie herinneringen aan de processies en de serene rust van de kerkdiensten. Maar in de jaren vijftig zijn ze opeens ongewenste vreemdelingen geworden. ‘Nederland was ons vaderland, we waren altijd nog meer oranje dan wie ook en dat patriottisme brak ons op. We werden echt belaagd en liepen elke dag een andere weg naar school, ze gooiden stenen en rot fruit en noemden ons Blanda’s, we moesten weg wezen’.
Eenmaal in Nederland merkt José dat ze daar ook niet echt welkom is: ‘Ik lijk op mijn moeder, mijn broer op mijn vader. Dat Indische uiterlijk brak me in het Brabantse Boxtel, waar we woonden, nogal op. Ik was niet zo weerbaar en ik vond het echt vreselijk als ze me ‘bruintje’ of ‘indo’ noemden. Daar komt nog bij dat we het niet breed hadden, ik ben absoluut niet te spreken over hoe we door de miltaire autoriteiten zijn afgescheept met een minimale uitkering, ik denk dat dat niet paste op de inzet van mijn vader voor de goede zaak’.

Japan

Ondanks alles, of wellicht dankzij alle tegenwind, heeft José het goed gedaan. Na de HBS, waar ze lange tijd het enige meisje van de klas was, wordt ze analist. Op vijftigjarige leeftijd gaat ze theologie studeren, ze zoekt een balans tussen het geloof en een actieve houding in de maatschappij: ‘Ik wil de kerk bij de tijd brengen, dat is erg belangrijk. Ik probeer mijn ervaringen in perspectief te plaatsen. Toen mijn zoon voor zijn werk naar Japan ging moest ik wel slikken, maar ik ben er toch naartoe gereisd, hoewel ik had gezworen Japanners nooit meer aan te kijken. Ik merkte dat er daar ook goede mensen leven en dat haat geen goed uitgangspunt is.’

De wing
José is verschillende malen naar Indonesië terug geweest. Met man en kinderen  bezocht ze alle plekken van haar jeugd en natuurlijk het graf van haar vader. Door haar inzet is moeder Zuijderhoff-Tokaya in 1997 in hetzelfde graf bijgezet, nog zonder naamsvermelding. Het is voor haar aanleiding om nog een keer te gaan.
‘Je bent er veel mee bezig en ik moet eerlijk zeggen: ik wil het ook. Toen ik voor een lezing een belangrijk kunstvoorwerp moest kiezen heb ik de wing van mijn vader laten zien. Ik heb het publiek verteld over het belang van dat voorwerp en over die enthousiaste jongen die wilde vliegen als de vogels in de lucht.’

De website van de Oorlogsgravenstichting maakt gebruik van cookies. Hierdoor wordt onze website gebruikersvriendelijker en kunnen we u beter van dienst zijn.