Het einde in een klappertuin

Het einde in een klappertuin

Fataal transport

‘We kwamen pas 10 mei op Flores aan, met meer dan 50 % zieken van de tweeduizend man. Het hospitaal bestond uit een klappertuin tussen het metershoge gras waar we onze zieken moesten verzorgen. Door de zeer slechte omstandigheden was van verplegen eigenlijk geen sprake’. Een lotgenoot brengt in 1947 verslag uit van het overlijden aan dysenterie van Simon van Velzen op 16 juni 1943. Samen met honderden anderen bezwijkt Van Velzen na een onmenselijk transport langs verschillende Indische eilanden. ‘Hij zelf geloofde niet meer in zijn beterschap en toen we probeerden hem nog wat op te beuren zei hij: ”Nee, ik weet dat ik ga en ben het al met mezelf eens, mijn tijd is nu gekomen”.

Een Indische carrière

Simon van Velzen wordt in 1899 geboren in Den Haag. Na de Ambachtsschool, waar hij voor automonteur leert, kan hij door de financiële ondersteuning van zijn tante Louise naar de Suikerschool in Amsterdam. Hij ontwikkelt zich tot chemisch specialist voor de suikerondernemingen in Nederlands-Indië. Hij vervult zijn militaire dienstplicht en trouwt in 1924 met Jet van Rossum uit Loosduinen. Bij hun eerste Indische plaatsing op een fabriek bij Cheribon wordt zoon Lout geboren. Gelukkige jaren volgen en na een verhuizing naar Slawi op Midden-Java wordt het gezin met nog drie kinderen uitgebreid. Henny, Miep en Emelie.
Van Velzen is een noeste werker en hij houdt van de Indische levensstijl, met wandelingen in de immense natuur en bezoeken aan familie en collega’s. Jet van Velzen zorgt voor de kinderen die opgroeien op de veranda en in de tuin van hun ruime woning. Simon houdt van fraaie auto’s: hij stuurt het gezin met vaste hand over de Javaanse wegen. Series foto’s van de kinderen getuigen van een zeer Hollands en bevoorrecht bestaan. Als kleuters in de nonnenschool van Tegal. Oudste zoon Lout speelt prins Bernhard en Henny is lakei in een getrouwe nabootsing van het koninklijk huwelijk in 1937, zelfs de Gouden Koets is erbij.

Verlof en luchtbescherming

In 1938 zijn de Van Velzens voor een lang verlof in Nederland. Ze verblijven in het pension Hermien in Nunspeet bij de moeder van Simon en natuurlijk gaan de kinderen naar de fotograaf. Zoon Lout blijft in Nederland achter; de scholen zijn er beter en hij kan bij zijn grootmoeder wonen. De rest van het gezin keert terug naar Indië. Uit plichtsbesef onder de oorlogsdreiging dient Simon bij de Vrijwillige Landstorm en zit Jet bij de Luchtbescherming. Dochter Miep herinnert zich: ‘Dat werd zeer serieus aangepakt, er werd bij ons een schuilkelder gebouwd en mijn moeder hield oefeningen met gasmaskers. Ik weet nog goed dat het ding een keer lekte en dat ik lang last had van prikkende ogen’.

Berichten van vader

Simon van Velzen wordt in 1942 ingedeeld bij een eenheid die in Tjilatjap de Japanse inval moet verhinderen, maar veel weerstand kan er niet geboden worden. Na de capitulatie wordt hij geïnterneerd en het gezin moet het doen met spaarzame berichten. ‘Mijn moeder kende een Japanse chauffeur en die liet mijn vader in Tjilatjap briefjes in de cabine schrijven die later bij ons bezorgd werden. Door deze geheime postdienst wisten we in de eerste maanden hoe het met vader was. Die chauffeur is later betrapt en wegens verraad geëxecuteerd. Ik miste mijn vader enorm en ik moest steeds denken aan de laatste keer dat ik hem zag. Hij verdween in de bergen zittend op zo’n rijtuig met twee wielen. We noemden dat een dogkar. Ik zie dat scherpe beeld nog voor me.’

Verknipte foto's

Het gezin Van Velzen moet het huis verlaten en onderdak wordt gevonden in het hotel van het bevriende echtpaar Arp. Twintig maanden weten ze door deze goede zorgen uit de handen van de bezetters te blijven. Als er toch Japanners in het hotel komen worden ze door moeder Van Velzen uit de foto’s geknipt, ze wil ze niet zien. Miep weet dat de zaken toch wat ingewikkelder in elkaar zaten: ‘Natuurlijk hadden we een hekel aan ze, maar toen ik later doodziek was van de malaria en de dysenterie ben ik echt gered door een Japanse dokter. Hij had zelf een gezin en herkende waarschijnlijk zijn eigen kind in mij. Hij gaf me een soort wondermiddel dat niemand kreeg. Ik weet nog goed dat hij afscheid kwam nemen met een ‘Japanse kus’ op het voorhoofd’.

Koken op het toilet

Vanaf oktober 1943 belandt moeder Van Velzen met haar kinderen alsnog in verschillende interneringskampen en een periode van overleven op pure wilskracht begint. In het grote Tjidengkamp bij Batavia wordt de Japanse tucht van op appèl staan en de willekeurige huiszoekingen met lijf- en hongerstraffen velen fataal. Eten is er bijna niet en de sanitaire omstandigheden zijn vreselijk.
‘We waren altijd met eten bezig, het was natuurlijk ieder voor zich en ik moet zeggen dat mijn moeder ons er doorheen sleepte. Ik vind haar echt een heldin, ze ging overal op af, zorgde voor ons en behield haar waardigheid. Daar deed ze alles voor, zo kookte ze bij een defect toilet vol met maden, want daar zouden de Japanners niet komen controleren, onvoorstelbaar als je daar later aan terugdenkt.’
In het kamp hoort Jet van Velzen dat haar man niet meer leeft, hoewel ze lang hoop blijft koesteren dat de berichten niet kloppen of door de Japanners zijn verzonnen. Na de bevrijding wordt zijn dood definitief bevestigd en het gezin wil maar één ding: terug naar Nederland. Jet schrijft in een serie lange brieven al haar belevenissen op en stuurt ze naar Nunspeet.

Waardige rustplaats

Na de oorlog maakt het gezin Van Velzen er het beste van. Miep is heel beslist: ‘We hebben er geen van allen trauma’s aan overgehouden. Mijn moeder was een heel sterke vrouw. Toen ze in 1971 overleed vond ik een soort zelf gemaakte papieren hanger met een foto van mijn vader, ik denk dat ze die al die tijd in het kamp bij zich heeft gehad. Al houd je je goed en ga je verder met je leven, dat wil niet zeggen dat het verleden niet belangrijk is. Mijn moeder wilde alles weten over de laatste tocht van mijn vader en later heb ik zelf geprobeerd uit te vinden waar hij precies begraven lag. In 1989 was ik in Indonesië en ben ik teruggegaan naar het punt waar ik mijn vader in de verte zag verdwijnen. Bij de autoriteiten kon niemand mij iets vertellen over wat er met zijn graf gebeurd was. Maar later bleek dat de doden uit de klappertuin in Maoemere op Flores al rond 1966 waren verplaatst. Mijn vader ligt nu in een verzamelgraf op het ereveld Kembang Kuning bij Soerabaja, maar soms knaagt nog wel eens de twijfel of er wel alles aan gedaan is om hem te identificeren. Sommige mensen begrijpen dat niet, maar voor mij is het heel belangrijk dat hij een waardige laatste rustplaats heeft.’

De website van de Oorlogsgravenstichting maakt gebruik van cookies. Hierdoor wordt onze website gebruikersvriendelijker en kunnen we u beter van dienst zijn.