Menu

Bernardus Waltherus Adrianus Pijnenburg

1900 - 1943

Portret toevoegen?

Klik hier

Oorlogsslachtoffer

Is 42 jaar geworden

Geboren op 28-09-1900 in Loon op Zand

Overleden op 04-08-1943 in Maoemere, Flores



Militair onderdeel

Website onderhoud

Onze website en de database erachter zijn recent helemaal vernieuwd.

Wij werken op dit moment hard om de laatste puntjes op de i te zetten. Zo zijn nog niet alle bijdrages gekoppeld aan de persoonskaarten. Mocht u nog iets missen, dat kunnen wij u ervan verzekeren dat er hard wordt gewerkt om dit te herstellen.

Ook de bestelprocedure van de bloemen is vereenvoudigd. Mocht het bestellen van een bloemlegging toch niet lukken, neemt u dan contact met ons op.

Onze excuses voor het eventuele ongemak.

Bijdragen

De volgende bijdragen zijn door bezoekers toegevoegd:

VERSLAG VAN HET OVERLIJDEN EN DE DAARAAN VOORAF GEGANE TIJD VAN MIJN VADER, B.W.A. PIJNENBURG.

Dit verslag is door een kennis van mijn ouders in briefvorm geschreven en aan mijn moeder gestuurdBandoeng, 6 Mei 1946Geachte Mevrouw,Uw brief dd. 26 April j.l. bereikte mij Zaterdag j.l. in goede orde en dank.Inderdaad woonden wij... Lees meer
Dit verslag is door een kennis van mijn ouders in briefvorm geschreven en aan mijn moeder gestuurdBandoeng, 6 Mei 1946Geachte Mevrouw,Uw brief dd. 26 April j.l. bereikte mij Zaterdag j.l. in goede orde en dank.Inderdaad woonden wij vroeger ook te Tasikmalaja in een huis van de Volkscredietbank, doch ik werkte zelf op een oliefabriek te Tjiamis. Doch dit doet momenteel weinig terzake, de hoofdzaak is, dat ik U nu gevonden heb.De laatste maanden van zijn leven heb ik vrij veel met Uw man opgetrokken en zal trachten U de gang van zaken zo uitvoerig en duidelijk mogelijk weer te geven, alhoewel er uiteraard wel enige kleinigheden zullen zijn, die thans voor mij ook vervaagd zijn.Zoals U weet zaten wij na de capitulatie op Garoet, alwaar ik niet veel contact met Uw man had, omdat wij in verschillende barakken lagen. Uw man was daar echter een en al actie en “Pijn”, zoals hij in de wandeling genoemd werd, sloeg zich daar uitstekend door alles heen. Hij maakte daar voor zichzelf een klein houten gebouwtje, waarin hij zowel overdag als ’s-nachts te vinden was. Dit was de “villa” van “Pijn”. Alles ging prima.Toen werden wij op 22 juni 1942 overgebracht naar Tjimahi. Daar kwamen wij in het zgn. “6e “ en wij lagen daar toen in dezelfde barak. Daarin lagen echter een 200 man ongeveer, dus U begrijpt wel, dat je dan alleen contact onderhield met je onmiddelijke buren. Dit nam echter niet weg, dat ik Uw man vaak zag en sprak. Hier konden wij nog van alles kopen en het eten was behoorlijk, zelfs beter dan op Garoet. Ik ben toen ziek geworden en ziek geweest van 2 September 1942 tot 17 Februari 1943 en werd op 19 October 1942 naar het hospitaal in Tjimahi overgebracht. Reeds in September/October 1942 begonnen de transporten-naar-buiten te lopen. Ik raakte Uw man in de periode van mijn ziekte kwijt, doch trof hem na mijn terugkomst uit het Hospitaal weer aan in dezelfde barak van het zgn. “4e en “9e Bat”. Hij lag toen ook weer geheel aan de voorzijde en ik bijna aan de andere kant. Hij kaartte toen heel veel en amuseerde zich, gezien de omstandigheden, goed. Als er geslapen moest worden klonk vaak de lach van “Pijn” nog door de barak en waren de op- en aanmerkingen niet van de lucht.In April daaraanvolgend zat er echter weer een transport in de lucht, waaraan noch Uw man, noch ik zijn ontkomen. Op 19 April 1943 verlieten wij ’s-avonds per trein Tjimahi, om de volgende morgen plusminus 10 uur te Soerabaja aan te komen. Wij werden toen naar de jaarbeurs aldaar gebracht en het lopen daarheen was een ware zegetocht, want uit alle hoeken en gaten kwamen vrouwen en meisjes tevoorschijn, altijd weer weggejaagd door de Jap en altijd weer opduikend.Op de Jaarbeurs heerste tot onze schrik een waar schrikbewind. Het was ontzettend, want zoiets was voor ons nieuw. Nadat wij verschillende keren hadden moeten aantreden, stonden wij zaterdagmorgen, 24 April 1943, gepakt en gezakt, klaar voor vertrek. Toen kwam er een inspectie van een hoge Jap, die op een tafel sprong en een speech zou gaan houden. Hij keek het zaakje eens aan en zei: “ik hoop, dat jelui allemaal goed gezond zijn” en sprong weer van de tafel af. Wij werden toen naar Goebeng gebracht en in de trein gezet. Nu vroegen wij ons natuurlijk af: “waarheen?” Men had ons verteld, dat wij gingen “dobberen”, doch heel diep in je hart heb je dan altijd nog wel een beetje hoop, dat dit niet het geval zal zijn. Maar de bevestiging kwam al spoedig, want wij gingen naar Perak. Daar eerst weer uren moeten wachten en toen werden wij door de “heren” Jappen gedesinfecteerd. Er lag een schip aan de kade, een deel van ons ging een andere kant op, zoals later bleek ook aan boord van een schip en toen werden wij aan boord “gejaagd”; een beter woord bestaat er niet voor. Mensen die wat veel barang bij zich hadden kregen een stomp en een trap, of het pak dat zij onder de armen hadden werd hen afgenomen, doch het eind van het liedje was, dat wij (een 1000 man ongeveer) terecht kwamen aan boord van de “Tazuma Maru”. Wij werden tussendeks geladen, waar men tegen de zijwanden van het schip een etage had gebouwd. Een deel ging de “kolong” in (stikdonker), een ander deel ging op de geïmproviseerde etage liggen. Maar zo collegiaal waren de mensen onder elkaar, dat het al spoedig was: “hier is geen plaats meer!”, terwijl die plaats er wel was. Ik ben toen op het luikhoofd tussendeks blijven staan om de zaak eens aan te zien, toen plotseling “Pijn” naast me stond, niet wetende wat hij moest doen. Waar echter al spoedig de Jap aan het slaan ging –er was namelijk nog wel degelijk ruimte, doch men wilde die voor zichzelf reserveren (in krijgsgevangenschap leer je elkaar eerst goed kennen)- rolde ik vlug mijn “Tikertje” uit en ging liggen. “zie zo, dat is mijn plaats!” zei ik. Toen ontstond er enige ruzie, maar ik trok mij daar niets van aan. Uw man zei toen: “En ik dan?”. “Doodeenvoudig”, was mijn antwoord “Jij doet hetzelfde en kom maar naast me liggen, als je tenminste wilt!” Hij heeft dit gedaan en toen hebben wij daar ruim 14 dagen rug aan rug met opgetrokken benen moeten liggen.Op 25 April ’s-morgens vroeg werd vertrokken en uit de koers konden wij geen wijs worden, want nu weer hadden wij het zonnetje hier, dan weer daar. Wel konden wij zien, als wij zo nu en dan eens boven mochten komen, dat er totaal 5 schepen waren, begeleid door oorlogsscheepjes. Tegen de avond echter voeren wij pal oost en toen wisten wij natuurlijk nog niets. Het leven aan boord was verre van aangenaam. ’s-Nachts was het stikdonker, de mensen lagen rug aan rug en als je dan ’s-nachts naar boven moest, dan moest je op handen en voeten naar een trap zien te komen. Je had je soldatenschoenen met spijkers aan en als je dan op iemands lichaam stapte, was het natuurlijk een razen en tieren van belang. Zelf deed je in zo’n geval hetzelfde. Kwam je boven, dan moest je eerst aan een schildwacht vragen of je naar de wc mocht. Waar vele van die kerels homosexueel waren was e.e.a. vaak niet gemakkelijk. De wc, vlak naast het varkenshok, was natuurlijk ook stikdonker, met gevolg dat je schoenen dik onder het vuil zaten, hetgeen je natuurlijk niet kon zien. Dat vuil bracht je mee naar beneden en in een minimum van tijd heerste er daardoor een buikziekte. Uw man en ik ontkwamen daaraan voorlopig. Het eten was niet al te best en zoals U al begrepen zult hebben liet de hygienische toestand ook te wensen over. Wij zijn onderweg een deel van het konvooi , te weten 3 schepen en 1 begeleidingsschip kwijt geraakt, (naderhand bleek, dat die naar Ambon zijn gegaan) en zelf stoomden wij door, tot wij aankwamen op Timor-Dilly. Daar werden wij aan het werk gezet om het schip te lossen en hadden wij in de ruimen te werken, aan boord van de prauwen en aan de wal. Dit werk, in het begin laten we zeggen “niet onaardig”, begon al spoedig te ontaarden in slavenarbeid en er waren niet veel mensen meer toe te krijgen om te werken. Speciaal de jongeren voelden daar niets meer voor en lieten rustig hun kameraden in het ruim doorwerken, zonder hen af te lossen. Alleen wanneer er een en ander te stelen viel, dan waren ze er als de kippen bij. Ook hun houding ten opzichte van ons ouderen, was weinig sympathiek. Uw man en ik werkten vaak samen in het ruim, doch Uw man kon het niet volhouden en kon zich hieraan gelukkig verscheidene keren onttrekken, hetgeen ook al niet gemakkelijk ging, want onze eigen officieren waren zo bang als de dood van de Jap, joegen ons maar op, want dan hadden zij er geen last mee. Wij lagen op dat luik niet zo heel gunstig, want als er gelost moest worden, moesten wij ons hebben en houden bij elkaar zoeken en elders een plaatsje trachtten te vinden. Dit lukte ons wel en dan paste Uw man op mijn barang, totdat ik weer “thuis” kwam.Toen vertrokken wij naar Laoteng (aan de noordpunt van Timor) en kregen daar van hetzelfde laken een pak. Wij (Uw man en ik) hebben toen ook weer gewerkt, welk werk echter niet voor de poes was want wij werden door de Jap ontzettend opgejaagd. Er konden niet zoveel slengen in het ruim klaarliggen of er werd weer geschreeuwd en geslagen. Je mocht er uit om te eten, als er anderen beneden kwamen om het werk voort te zetten, maar dat kostte ontzettend veel moeite. Er werden dan vaak vrijwilligers gevraagd om die mensen af te lossen en daar meldden Uw man en ik ons dan maar weer voor aan, want je kon je collega’s daar toch niet de hele dag zonder eten laten werken!Na Loateng gingen wij naar Koepang, waar wij op 7 Mei aankwamen en ook daar was het van hetzelfde laken een pak. Was ik alleen te Loateng aan de wal geweest, op Koepang gingen Uw man en ik op 8 Mei samen aan wal. Dat kwam zo: wij waren in het ruim aan het werk en mochten toen naar boven om te eten. Nauwelijks boven aangekomen, vroeg de Jap ons wat we daar deden, hetgeen wij hem aan zijn verstand schoten. “Neen”, zei de kerel, “Eten doen jullie aan de wal” en wij werden in een prauw gezet en naar de wal gestuurd om daar de prauwen te lossen, die met barang van ons schip kwamen. Wij kwamen om half twee aan de wal, nadat wij reeds de hele ochtend behoorlijk hadden gewerkt, kregen toen wat droge rijst met suiker en ontzettend zoete thee. ’s-Avonds hebben wij urenlang tot ons middel in het water gestaan, een ketting vormend, om de kisten enzovoorts door het water heen te halen naar het strand. Wij hadden uiteraard niets anders aan dan een blauw militair broekje en waren kletsnat van de transpiratie. Het lossen van de prauwen, die óf in de branding lagen, óf aan een pier gemeerd, was helemaal niet eenvoudig en om de 10 meter stond een Jap met een eind lat.Plotseling ging in de loop van de avond het alarmsignaal, de lichten gingen uit en wij hoorden vliegtuiggeronk. Vliegtuigen kwamen boven ons en het afweergeschut van de wal en van de schepen gaf een nummertje weg. Wij moesten tegen de hoge kade- of strandmuur gaan liggen. Hierna wierpen de vliegtuigen lichtfakkels uit en bombardeerden het vliegveld, dat een 4 kilometer van de kust was. Uw man en ik lagen tegen de strandmuur, toen wij plotseling een Timorees met zijn lange haardos tussen ons in kregen met de woorden: “Djangan takoet, toewan”. Er gebeurde ons verder niets, alleen viel het ons tegen, dat wij onmiddellijk daarop weer aan ons werk moesten. Wij hebben toen doorgewerkt tot de volgende ochtend half vier, waarna wij weer naar het schip werden teruggebracht. Kletsnat van transpiratie en water voeren wij in de kille nachtlucht weer naar “huis” om de volgende ochtend om 6 uur weer op te moeten staan, doch toen waren wij weer aan het varen.De volgende morgen, of beter gezegd, na 24 uur varen, kwamen wij ergens terecht, hetgeen naderhand Maomére (Flores, noord/oostkust) bleek te zijn. Hier werden wij in de middag van 10 Mei 1943 aan wal “gegooid”; een beter woord kan ik er niet voor vinden. Ik raakte toen Uw man kwijt, want ook ik was die dag niet goed geworden en werd in het ziekenkamp opgenomen. Wij moesten eerst een 4 kilometer lopen en kwamen toen in dat “kamp”, dat wil zeggen, wij konden ons neerleggen onder de klapperbomen. Was men een beetje opgeknapt, dan ging men naar Q (Ouarantaine) 1, 2 of 3.In het ziekenkamp hadden wij een zeer slechte tijd. Naast ons hadden wij een putje om onze behoefte te doen, kregen ’s-morgens, ’s-middags en ’s-avonds pap en 2 maal per dag ongeveer een kwart mok thee. Water was brak en moest uit de omtrek uit putten worden gehaald voor het koken van de pap. Naderhand kregen wij rijst met waloe en zo nu en dan wat varkensvet erbij, hetgeeen voor buikpatiënten uiteraard niet zo goed was. Er stierven toen heel veel van ons. Toen ik naar Q1 mocht, zag ik op een ochtend Uw man, die daar ook was. Hij zag er, evenals wij alleen, vrij slecht uit en had het in de buik. Enige dagen daarna ging ik naar Q2 en zag Uw man niet meer. Daarna naar Q3. Wij sliepen nog steeds in de open lucht, maakten zelf een tentje, als wij daartoe in staat waren, anders gebruikten wij een pisangblad tegen de zon. In Q3 aangekomen zocht ik een plaatsje. Toen ik daar enige uren was kwam er een jongeman met een waszak op zijn nek, die naast me neergezet werd. Ik voelde er echter niets voor een vreemde zo vlak bij me te hebben, zodat ik begon te sputteren. De man zette de zak toen onder een klapperboom, zodat ik hem vertelde, dat hij daar natuurlijk klappers op zijn kop zou krijgen. Hierop verhuisde hij weer naar mijn kant. Ik vroeg hem toen:”Is dat zootje van jou?” “Neen” was het antwoord, “van een andere mijnheer”. “Hoe heet die vent?” vroeg ik. “Pijnenburg”, was het antwoord. “Laat die zak maar hier staan” zei ik hem ”en zeg Pijnenburg, dat hij naast van der Mespel komt liggen!”. Daarna kwam Uw man aanstrompelen, blij dat we weer naast elkaar lagen. Ik heb hem toen met van alles trachten te helpen en we kwamen overeen, dat wij van zijn strozakovertrek een soort tent zouden fabriceren. “Maar ik heb geen fut!” merkte Uw man op. Eindelijk in de loop van de middag heb ik al mijn moed bij elkaar geraapt, een paar gaten gemaakt om stokken in te plaatsen, de overtrek als dak gebruikt en met behulp van nog iemand, hadden Uw man en ik een tent, geen last meer van de zon en misschien ook wel niet van de regen en wij voelden ons de koning te rijk. Ik haalde thee en eten voor Uw man, want dat lukte hem niet altijd en ik trachtte hem (ikzelf eet vrijwel altijd) aan het eten te krijgen. Dit lukte aardig en er kwam werkelijk enige verbetering. Hij ging wat minder naar de wc, dus had ook meer profijt van het eten. Toen kwamen er een paar regenavonden. Het water liep uiteraard onze tent binnen. Wij moesten onze tikers en deken oprollen en zelf onder een klapperboom zittend de bui afwachten. Onze bullen werden nat, doch waar de volgende morgen de zon weer scheen was het leed spoedig geleden. Het zeer onaangename was hier, dat je voor elke Jap die langskwam moest kruipen en dat langskomen was een buitengewone liefhebberij van die kerels, zodat je vrijwel geen ogenblik rust had. Klappen vielen overal, ja zelfs de ernstige zieken kregen opdracht, dat ze op hun knieën moesten gaan, wanneer de “Heren” passeerden. Deze ernstige zieken waren werkelijk meer dood dan levend. Wij zijn toen zo enige tijd doorgesukkeld, tot wij beiden weer zieker werden, moeite hadden ons eten enzovoort te halen, zo vaak moesten wij weer naar de wc. Dag en nacht liep dat door en 20 tot 30 keer per etmaal was geen uitzondering. Anderen haalden toen ons eten en drinken voor ons, doch Uw man begon steeds minder te eten, hoe ik mijn best ook deed hem te animeren.Beiden nog beroerd er aan toe zijnde, kwam plotseling de opdracht: “Heel Q3 wordt opgedoekt en alles moet naar het gezondenkamp, behalve de ernstige zieken!”. Die gingen naar barakken, die daar inmiddels in de buurt waren gebouwd. Dit was toen op 12 Juni 1943, dat wij voor het eerst een dak boven ons hoofd zouden krijgen. Geholpen door Dr. Lambooy hebben wij toen onze tent afgebroken en onze bullen gepakt. Uw man voelde er niets voor dat zaakje zelf te dragen en liet alles min of meer slingeren, totdat een mij bevriende jongeman zich over de zaak ontfermde en alles naar de wegkant bracht. Daar kwam een vrachtauto, die ons zieke mensen met een vaart over een zeer slechte weg, waarop een paar decimeter dik stof lag, een 7 kilometer verder reed naar het zgn. “gezonden-kamp”, alwaar wij gelegerd werden in de ziekenafdeling van dat kamp.Wij hadden toen, zoals gezegd, het eerste dak boven het hoofd, doch sliepen nog steeds op de grond, waar onze tikers opgevreten werden door de rajaps. Wij lagen in een barak, nog geen 30 meter van de zee en vlakbij de latrines, hetgeen allemaal voordelig was, want de zee moest je gebruiken om je etensgerei te wassen enzovoorts. Aangezien wij buikpatiënten waren, mochten wij ons niet in de zee baden en een andere gelegenheid bestond er niet, zodat de korsten vuil zich op onze lichamen vastzetten en wij er, ongeschoren als wij ook nog waren, niet al te fris uitzagen. Licht brandde er ’s-avonds niet, klapperbomen waren in de barak ingebouwd, zelfs midden in het pad, doch al met al hebben wij toch heel dikwijls hartelijk gelachen. Uw man kikkerde toen weer wat op, doch ik ging beter vooruit.Toen kreeg Uw man ontzettende last van aambeien, was koortsig, veel buikloop, geen eetlust, dus dat was niet zo mooi. Hij begon tegen alles op te zien al heb ik op allerlei manieren getracht hem wat op te fleuren. Het ene ogenblik lukte dat mij beter dan het andere, dat begrijpt U wel, doch het wilde niet erg. Dan deden wij het op een prettige wijze, dan weer pakten wij hem harder aan, dan weer zus, dan weer zo. Ook lieten wij hem wel eens in zijn eigen sop gaarkoken, denkend dat dit misschien enig resultaat zou hebben, doch Uw man bleef klagen, zó erg zelfs, dat wij wel eens dachten, dat hij overdreef en ook de dokter was wel eens die mening toegedaan. Op een gegeven dag zei de dokter tegen Uw man: “Jij bent eigenlijk te ziek om hier te liggen, je moet maar naar een andere barak!”, waarmee Uw man erg blij was, omdat hij juist hetzelfde aan de dokter wilde vragen. Obat was er niet, een beetje zalf voor de aambeien, voor de rest maar blijven liggen en zelf maar zien, dat je jezelf redde. Er waren verpleegsters, althans mensen, die dat werk deden, doch die hadden hun handen vol, want de gehele barak bestond uit zieke mensen.Om 4 uur ’s-middags ging Uw man toen naar een andere barak. Ik heb alles voor hem ingepakt en een paar verpleegsters hebben hem weggebracht. De behandeling van dokter Mariun was goed; hij besteedde aandacht aan ons, doch hem stonden geen geneesmiddelen ten dienste en Uw man werkte niet meer mee, kon niet meer meewerken, want daar moet hij zich al te ziek voor hebben gevoeld.Kort daarop was ik weer enige weken achtereen minder goed en kon hem niet bezoeken. De heer Zanen, U wel bekend uit Tasikmalaja, kwam toen echter ook in ons kamp en ik heb hem toen naar Uw man gestuurd met de opdracht hem eens goed aan te pakken en de mededeling, dat ik zou komen, zodra ik weer beter was. Spoedig daarna ben ik naar Uw man gegaan, doch kreeg danig op mijn kop, in de eerste plaats omdat ik zo lang gewacht had met bij hem te komen en in de tweede plaats, dat ik Zanen had gestuurd, want zoals die hem had aangepakt beviel hem niet. Hij was ontzettend blij, dat ik weer kwam en ik moet U zeggen, dat ik nooit iemand zo blij heb gemaakt met mijn bezoek, dan toen Uw man! Het viel mij op, dat hij er niet goed uitzag. Hij lag, zoals wij allen, op een tiker op de grond, had de ondersteek bij zich, had koorts en werd opgegeten van de vliegen, zoals wij trouwens allemaal. Hij vroeg mij, hoe ik hem vond en ik heb hem toen verteld, dat het wel ging, doch dat hij natuurlijk eten moest, hetgeen hij slecht deed, zoals ik tevoren al bij de verpleger had geïnformeerd. Hij zou toen beter eten als hij geen koorts meer had, dan weer als hij net zo’n eetlust had als ik enzovoorts, enzovoorts, waarop ik hem uiteraard de gevolgen van zijn minder goed eten voorgehouden heb.Er ging in het kamp toen een gerucht, dat half augustus schepen zouden komen, om de zieken naar Java af te voeren en dat gerucht werd voor Uw man een idee-fixe. “Ik haal het best!” zei hij dan telkens, “want als nu half Augustus die schepen komen en ik in Tjimahi kan komen, dan is alles voor elkaar!”. Hij herhaalde dit steeds en wij hebben hem maar in die waan gelaten, omdat er tegenin gaan hem verdrietig maakte. Ik ben heel vaak bij hem geweest en dan bekeek hij zichzelf altijd in een handspiegeltje en moest ik zeggen, hoe hij er uit zag. U begrijpt, dat hij er wel op achteruit, maar helaas niet op vooruit ging. Met een dokter (dr. Schorel) gesproken en die deed het voorkomen, dat hij beter eten moest, hetgeen ik hem dan weer voorhield. Ik zag hem echter achteruit gaan, terwijl zijn huidskleur mij niet beviel. Hij bleef het in zijn buik houden, had behoorlijk koorts, ontzettend last van zijn aambeien en was niet meer zo monter als hij geweest was. Toen ik hem ongeveer 20 Juli zou gaan bezoeken, vertelde Zanen me, dat ik beter niet kon gaan, omdat Uw man overgebracht was naar barak 16, de barak waar de ernstig zieken heen gingen. Ik bleef toen op de hoogte van het verloop, doch mocht van de dokter Uw man niet bezoeken, omdat men vreesde, dat ik zieker zou worden, daar ik zelf nog zo ontzettend vatbaar was. De berichten die ons bereikten, waren niet zo mooi. Men heeft mij toen helemaal niet gewaarschuwd, verder niets gezegd, tot ik op een middag, het was 3 Augustus, hoorde dat Uw man buiten kennis was.De volgende ochtend, 4 Augustus, vernam ik tot mijn spijt dat Uw man was heengegaan.Wat er toen in mij omging, behoef ik U niet te zeggen. Had men mij de dag tevoren gewaarschuwd, dan had ik nog even met hem kunnen praten, doch dit is helaas niet gebeurd.Uw man werd diezelfde dag, tegen het vallen van de avond, ter aarde besteld.De doktoren Mariun, Schorel, Eeftes en Wulff (de laatste behandelde Uw man in barak 16) hebben gedaan wat in de gegeven omstandigheden kon worden gedaan, ja zelfs meer dan dat, doch het heeft niet mogen baten.Waar de angst voor infectie groot was, ontdeed men zich altijd ten spoedigste van alle kleren en dergelijke van de overledene en er werd enige tijd daarna gevraagd wie de nalatenschap van Uw man in bewaring wilde nemen, waarmee ik mij toen onmiddellijk heb belast. De door Uw man achtergelaten zaken zijn zeer gering in aantal, te weten: Een dassenknijper, een trouwring, een portemonnaie, een sigarettenkoker, een paar manchetknopen, een defect polshorloge en een haarlok.Teneinde zekerheid te hebben, dat een en ander U bereikt, heb ik de achtergelaten bezittingen van Uw man meegegeven aan mevrouw Nederlof, die dezer dagen met de “Indrapoera” naar Holland vertrekt. Zij heeft beloofd al deze zaken aan U te zullen opzenden. Mevrouw Nederlof verloor ook haar man, die omkwam op ± 16 September 1945 met een getorpedeerd transport.Alhoewel U te Singapore over Flores wel veel zult hebben gehoord, meende ik er goed aan te doen U het gebeurde zo uitvoerig mogelijk door te geven en hoop hieraan goed te hebben gedaan.Mocht U eventueel nog verdere inlichtingen wensen, dan ben ik uiteraard steeds graag bereid U die te verstrekken voor zover het mij althans mogelijk is. U zou mij een genoegen doen te gelegener tijd even te melden, dat U het een en ander in goede orde heeft ontvangen.Met vriendelijke groeten en U van ganser harte, mede namens mijn vrouw, het allerbeste wensend, verblijf ik, hoogachtend (was getekend: A. v.d. Mespel) Sluiten
Bron: Augustinus VAN DER MESPEL (1896-1993) Augustinus VAN DER MESPEL, geboren te Delft 12 mei 1896, kantoorbediende (1919), administrateur oliefabriek, overleden te Weesp 29 april 1993,

Geplaatst door Bernard Adriaan Pijnenburg op 03 mei 2016

Voeg zelf een monument toe

Log in om een monument toe te voegen

Voeg zelf een bijdrage toe

Log in om een bijdrage toe te voegen

Leg bloemen op dit graf

Wilt u graag bloemen laten leggen op dit graf, dan verzorgen wij dit graag voor u.
Bestel bloemen
Bloemen en kransen

Nationaal archief

Bekijk

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief