Frederik John Bernhard Evers
1918-1942
Oorlogsslachtoffer
Is 23 jaar geworden
Geboren op 18-08-1918 in Blora
Overleden op 06-03-1942 in Tjiaterstelling
Bijdragen
De volgende bijdragen zijn door bezoekers toegevoegd:
Frederik John Bernard Evers
Evers, Frederik John Bernard
Geboren 18 augustus 1918
Geboorteplaats: Blora (Nederlands Indië
Overleden, gesneuveld 6 maart 1942
Frederik John Bernard Evers werd op 18 augustus 1918 in Blora (Rembang) geboren, zoon van Bernard Evers (geboren 8-01-1892) en de inlandse vrouw Sairah (geb. 10-06-1899). Frederik John Bernard Evers werd in 1923 erkend (RA 1923). Na de basisschool ging Frederik John Bernard naar de Openbare HBS te Malang. In het dagblad De Indische Courant van 8 juni 1935 werd de overgang van de 4e naar de 5e klas HBS bevestigd en in het jaar 1937 werd door FJB Evers de 5 jarige HBS opleiding met een diploma afgerond. (De Indische Courant 9-06-1937). Het jaar daarop, 1938, wordt FBJ Evers toegelaten op de KMA-C.O.R.O. - infanterie. Hij is dienstplichtig en heeft een 5 jarige HBS opleiding genoten.
K.M.A. Bandoeng - C.O.R.O.
Dr. B. Bouman (1923) schreef in zijn artikel: “De Koninklijke Militaire Academie 1940-1942: KMA Bandoeng” dat de KMA in Bandoeng in 1940 uit hoge nood werd geboren. Nederland was bezet en het Japanse optreden was een acuut gevaar voor de vrede in het Verre Oosten. Reeds in juni 1940 had de Gouverneur Generaal de minister laten weten dat omstreeks september 1940 een beperkt aantal adelborsten-opleiding in Soerabaja zou worden begonnen. De KMA werd gevestigd in Bandoeng (Bandung), aanvankelijk in de Menadostraat (Jalan Kalimantan/Jalan Aceh) en vanaf oktober 1941 in een nieuw academiecomplex aan de Houtmanstraat (Jalan W.R. Supratman).
Het Koninklijk Nederlands Indisch Leger werd gemotoriseerd en modern materieel werd in het buitenland besteld. Helaas had het KNIL internationaal weinig prioriteit en maar weinig van het bestelde bereikte de Indische havens.
De zich steeds duidelijker manifesterende Japanse bedreiging van de Nederlands Indische integriteit was er de oorzaak van dat in steeds breder kring het ‘Japanse gevaar’ werd onderkend. Enerzijds was er de laatdunkende spot over de Japanner als militair, met zijn kromme benen en bijziendheid waardoor hij ongeschikt zou zijn als vliegenier en geen tegenstander om zich zorgen over te maken. Anderzijds groeide in Indië het besef van naderende machtsverschuivingen (brief Minister van Koloniën S. de Graaff aan Gouverneur Generaal Jhr. Mr. B.C. de Jonge dd. 9 april 1933).
De versterking van het KNIL, die zich in 1936, deed de behoefte aan beroepsofficieren maar ook aan reserve officieren toenemen. Zo kwam het in 1936 tot de oprichting van een reserve-officiersopleiding. De toelatingseisen waren dat de aspirant dienstplichtig moest zijn en een vijfjarige hbs- of een vergelijkwaardige diploma moest bezitten.
In 1938 kreeg de opleiding de naam “Corps Opleiding Reserve officier” (CORO). Met ingang van het cursusjaar 1938/1939 werd de opleiding in vier perioden onderverdeeld. Voor wat betreft de infanteristen richtte de tweede periode van twee maanden zich op de tactiek van het bataljon, zoals vervat in het Algemeen Tactisch Voorschrift en Gevechtsvoorschrift Infanterie. Aan het eind van deze periode volgde een tweede selectie en bevordering tot militie-sergeant. Voor de geslaagden gold, dat zij nu definitief waren toegelaten tot de reserve-officiersopleiding en de zo fel begeerde ‘Hongaarse Krul’ op de sergeantsonderscheidingsteken mochten dragen. Bovendien kon nu het witte uitgaansuniform worden aangemeten, waardoor zij duidelijk herkenbaar waren als aspirant-reserveofficier. Op de eettafels prijkte voortaan wit aardewerk servies. (Brabänder, Officiersopleiding KNIL, Burgman, CORO 1941-1942).
De eerste directeur KMA Bandoeng majoor van de Generale Staf P.G. Mantel werd op 15 mei 1941 opgevolgd door overste H. van Altena. De KMA heeft tot aan de Japanse bezetting drie promotie jaren gekend: het derde en oudste jaar, het tweede jaar en het eerste of jongste jaar. In 1941 waren er 228 cadetten in opleiding: 30 in het derde jaar, 106 in het tweede jaar en 92 in het eerste jaar. Aan de KMA Bandoeng werden vier Chinese en 18 Indonesische cadetten opgeleid. Tot de Indonesische cadetten behoorden cadetten die enige jaren later, in de strijdkrachten van de jonge Republiek Indonesië, een zeer prominente rol zouden spelen. Zoals Alex Kawilarang, Abdul Haris Nasution en Tahir Bonar Simatupang. Door de oorlogsdreiging volgden de cadetten het onderwijsprogramma op de KMA in een verhoogd studietempo. Dat hield bijvoorbeeld in dat de cadetten werden vrijgesteld van wachtdiensten, maar ook dat zij vaak na het avondappèl nog uren doorwerkten. Toen de oorlog uitbrak en het gevaar van luchtaanvallen op Bandoeng toenam, werd de KMA uit voorzorg verplaatst naar Garoet (Garut), op ongeveer 50 kilometer ten zuidoosten van Bandoeng.
Op 15 februari 1942, de dag waarop Singapore capituleerde, werden de tweedejaars cadetten bevorderd tot cadet-vaandrig en kwamen als groep beschikbaar voor militaire inzet. De cadetten van het jongste jaar en de cadetten-vaandrig van de Militaire Administratie werden vooralsnog niet ingezet bij de strijd op Java. Ook de infanteristen en de genisten volgden hun bestemming. Van de infanteristen zouden vier sneuvelen bij de gevechten op Java.
De dag na de rampzalige Slag op de Java Zee (28 februari 1942) ontving overste A van Altena de opdracht om met de Garoetse rest van het cadettencorps naar Lembang te begeven om een gevechtseenheid te formeren. Van Altena was slecht uitgerust, had geen verbindingen behalve een open PTT-lijn naar zijn hogere commandant, geen arts of hospitaalsoldaten, zelfs geen stafkaart behalve één autowegenkaart van de Nederlandse Indische Automobielclub. De transportmiddelen waar hij over beschikte waren gevorderde personenauto’s, bestuurd door de cadetten en vier motorfietsen, eigendom van de cadetten. De cadetten werden verdeeld over twee secties, deel uitmakend van een compagnie onder leiding van kapitein Paardekooper. De compagnie van Paardekooper had in de avond van 5 maart de aangewezen opstelling ingenomen. Gedurende de nacht werd regelmatig gepatrouilleerd. Het was flink koud geworden. De CORO-cadetten waren geheel verkleumd, omdat zij niet beschikten over dekens of overjassen (deze waren in Lembang achtergelaten en werden niet na gebracht). Toch was iedereen bij het aanbreken van de dag paraat. Het viel tegen dat er geen warme thee en brood werd aangeleverd. De laatste maaltijd hadden de soldaten de vorige dag tegen het middaguur gehad. Klokslag zeven uur verschenen de Japanse vliegtuigen weer. Zij waren heer en meester in de lucht. Zij konden hun aanvalsdoelen in alle gemak uitzoeken. De tweede sectie CORO bezette de bijna twee meter diepe, vrij brede loopgraaf. De loopgraaf nog in aanbouw, open van boven en in volkomen open terrein, langs de weg naar Soebang, moest duidelijk zichtbaar zijn geweest vanuit de lucht, want de sectie was regelmatig het doelwit van de Japanse vliegtuigen. Inmiddels heeft de tweede CORO sectie zijn eerste verliezen geleden. Kapitein Paardekooper besloot, tegen 12.00 uur, een gedeelte van de 2de sectie mee te nemen voor een patrouille in het voorterrein. Er was geen vijand te bekennen. De verkenningspatrouille moest zich wel herhaaldelijk dekken tegen bombarderende en mitraillerende vliegtuigen.
Kolonel De Veer gaf Kapitein Paardekooper opdracht om een gesloten opstelling rondom de 3sprong TB-BS (3 sprong Tankoeban Prahoe, Bandoeng-Soebang) in te nemen. Terwijl dit geregeld werd, ging de vijand tot de aanval over, wat beantwoord werd met het commando “attaqueren!”. Paardekooper met zijn sectie begaf zich zo snel mogelijk naar kolonel de Veer om aan het gevecht deel te nemen. Na een kort vuurgevecht, trok de vijand zich terug. Vijands vuur bestond voornamelijk uit vuur van pistolen, mitrailleurs en mortiervuur. Opmerkelijk was het vuur uit pistolen en mitrailleurs, waaruit telkens 25 patronen werden verschoten, terwijl het vuur steeds te hoog was. Paardekooper en sectie bevond zich in een kinabos, waar de kruinen van de bomen werd beschoten, zodat de aanwezigen werden bestrooid met bladeren.
Op 6 maart hield de Compagnie Paardekoper stand in de voorste lijn ondanks zware verliezen. Het waren niet alleen dagen zonder rust, maar ook vrijwel zonder aanvoer van eten en drinken. Laat in de middag van 7 maart 1942 kwam de opdracht de strijd te staken. De reactie van de cadetten was er een van diepe teleurstelling (brief Majoor b.d. JM Koster d.d. 16-03-2002. Brabänder, Officiersopleiding KNIL, 160-166. Brugman, CORO 1941/1942, 6/49-6/70. I-80/I-83). Negen sergeanten-CORO sneuvelden 6 maart 1942, vijf ernstig gewond).
In deze korte actie sneuvelde FJB Evers als cadet-sergeant van de CORO, van het 3e depot Infanterie op 6 maart 1942 op 23 jarige leeftijd.
Bijlage 1 uit: Reserve Officiersopleiding CORO 1941/1942 (met bijdrage van A.L. Burgman e.a. Samenstelling H.W. Neidig).
Geplaatst door FR Portier op 09 februari 2024
De gevechten bij de Tjiaterstelling.
Geplaatst door Jan Thonus op 22 april 2021